op de dorsvloer

Rembrandt van Rijn- Boaz en Ruth (bron: statenvertaling.net)

Preek bij Ruth 3 19 juni Dorpskerk Barendrecht

Toen ik het beroep aannam naar Barendrecht was er nog geen pastorie beschikbaar, huiswerk voor de kerkrentmeesters en dat was best een hele opdracht, want de woningmarkt was krap en de familie de Ronde moest er ook nog inpassen, dus heel blij dat het gelukt is. Nu nog verhuizen.

‘Zal ik niet een thuis voor je zoeken?’, stelt Naomi aan Ruth voor. In het Hebreeuws staat er zoiets als rustoord, je huis is waar je tot rust komt en gerust wordt gesteld. Waar je geborgenheid vindt.

Naomi heeft geen rust voordat schoondochter Ruth onder de pannen is. En nu heeft ze haast, want het loopt tegen het einde van de gerste en de tarwe-oogst en dan is het werk gedaan, kan Ruth niet meer op het land van Boaz aren rapen en dan is de kans verkeken.

Dat de twee elkaar nog niet in de armen hebben gesloten komt omdat Ruth een Moabitische is, een vrouw uit het buurland Moab en in de Tora worden de Israelieten gewaarschuwd zich niet in te laten de dames uit Moab, die stonden slecht bekend.

Boaz is niet bevooroordeeld, hij wordt getekend als iemand die leeft volgens de geboden en de Tora geeft opdracht om de rechten van vreemdelingen te respecteren, juist voor hen de aren te laten liggen die op het land achterblijven. Boaz is overvloedig in zijn gerechtigheid, zorgt er voor dat Ruth met een volle zak met graan thuiskomt. Hij is onder de indruk van haar, vanwege de vriendschap die zij bewijst aan Naomi.

Maar met Ruth trouwen is nog iets anders en dat heeft met de reputatie van Moab te maken, tijdens de woestijnreis raakten de Israëlieten daar verdwaald en werden ze door de dochters van Moab verleid tot het bedrijven van afgodendienst. Vanwege die dwaling, die misstap werden de inwoners van Moab afgewezen als huwelijkspartners van de Israëlieten.

In de praktijd werd die regel waarschijnlijk niet al te streng toegepast, Machlon en Kiljon, de zonen van Naomi waren immers met Moabitische vrouwen getrouwd, maar laat Boaz nu net een zeer wetsgetrouw en zeer integer figuur zijn.

Wel heel erg integer vindt Naomi, dit is een match made in heaven en zij besluit het lot een handje te helpen, maar let op, ze neemt daarmee een groot risico, of beter gezegd, ze laat Ruth dat risico lopen.

Vanavond gaat Boaz op de dorsvloer gerst wannen.  Baad je, wrijf je in met olie, kleed je aan en ga naar de dorsvloer. Als hij na het wannen gegeten en gedronken heeft en is gaan slapen, moet je naar hem toegaan. Hij zal je dan vertellen wat je moet doen.

Ik heb me laten vertellen dat gerst een stekelige graansoort is die prikt, maar het verhaal wordt nu in meerdere opzichten prikkelend. Naomi brengt Ruth zo in een netelige situatie. Hij zal je vertellen wat je moet doen, levert Naomi Ruth nu niet uit aan de grillen van een man. Is baas Boaz nog steeds zo integer als er niemand kijkt?

Het is wat stagiaires en uitzendkrachten te vaak meemaken op de werkvloer, wantoestanden, collega’s die je vriendelijk op weg helpen en aardige berichtjes sturen, maar als ze de kans krijgen buiten ze de machtspositie uit.

Alles wijst er op dat Ruth Boaz moet gaan verleiden, heel stereotyp zoals de moabitische vrouwen te boek stonden. De setting van de dorsvloer, een beschutte plek buiten de stad, het tijdstip, de ondergeschikte positie van Ruth.

Is Ruth naief dat ze het spel meespeelt, heeft ze geen keus of zet ze het naar haar hand? Ze is een sterke, daadkrachtige vrouw. Naomi hoopt dat Boaz Ruth tot vrouw wil nemen, maar voor het zelfde geld zal Boaz Ruth behandelen als Moabitische, een verleidster  en daar heeft ze dan ook alle aanleiding toegegeven.

Er is trouwens een rabbijnse uitleg die ervanuit gaat dat Naomi Ruth geen risico laat lopen, omdat het van te voren zo met Boaz heeft bedisseld, hoe weet ze anders dat Boaz die avond naar de dorsvloer gaat.

Je zou ook kunnen denken dat Naomi door haar Godsvertrouwen gelooft in een goede afloop, maar haar geloof was juist verbitterd geraakt, het lijkt eerder een wanhoopspoging.

Ruth begeeft zich naar de dorsvloer, ze gaat bij Boaz liggen, zo doet ze wat Naomi haar heeft opgedragen, maar op het beslissende moment trekt ze het initiatief naar zich toe.

Het is wat Miskotte noemt hogere humor. In het holst van de nacht schrikt Boaz wakker na een onverhoedse beweging. Er ligt een vrouw. Wie ben je? Is zijn vraag.

Ik ben Ruth zegt ze klip en klaar en dan wacht ze niet af wat Boaz voorstelt, ze doet meteen een huwelijksaanzoek. Laat mij bij u schuilen, geborgenheid vinden, een thuis. Letterlijk staat er, spreid uw vleugel over mij uit, onomwonden: spreid uw vleugel over me uit en daarmee herinnert ze Boaz, heel slim, aan zijn eigen woorden bij hun eerste ontmoeting, toen hij zei: moge de Heer je rijkelijk belonen, onder wiens vleugels je bent komen schuilen.

Ruth zegt in feite: Boaz laat het niet bij vrome woorden blijven, nu moet jij 1 van die vleugels van de Allerhoogste zijn, want en nu komt het, je bent losser.

Een losser is in Israël iemand die een schuld overneemt. Het is in Leviticus 25 onderdeel van de wetgeving omtrent het jubeljaar. Als je in de penarie kwam, tot armoede verviel, je huis moest verkopen, je land kwijt raakte, slaaf dreigde te worden, dan was je familie moreel verplicht je uit de brand te helpen, die hadden dan het recht om het bezit terug te kopen zodat je weer grond onder de voeten kreeg.

Lossen = vrijkopen = uit de ellende halen = uit slavernij verlossen. In de geschiedenis van het volk Israël heeft God de naam van losser gekregen omdat hij zijn volk uit de ellende bevrijdt en de schuld overneemt.

Wie ben je? Dat is de ultieme levensvraag, en die vraag krijgt Ruth als ze in de meest netelige en vernederende situatie is beland. En ze antwoordt nu niet, de Moabitische, zoals ze eigenlijk steeds genoemd wordt en zoals ze nu ook verkleed is,  maar met haar eigen naam Ruth.

En die eigenwaarde en dat zelfrespect heeft ze omdat ze gelooft dat er een losser is. En tussen de regels van het verhaal lees je dat de God van Israël die losser is. Een Losser bent U, dat is een geloofsbelijdenis, in het antwoord van Ruth. (zoals Bach laat zingen: Gij hebt mij verlost, Heer, gij getrouwe God)

Het zit bijvoorbeeld in de 6 maten gerst die Ruth mee naar huis krijgt. 6, dat is de menselijke maat, de 7e die van de volheid, komt van God.

Boaz zegt: je hebt hiermee je eerdere weldaden nog overtroffen, door mij als losser aan te wijzen, dat maakt voor mij de weg vrij.

De vraag wie ben je? komt tenslotte nog een keer terug als Ruth bij Naomi thuis komt, dan vraagt ze heel typisch wie ben je? In de vertaling, hoe is het met je? Maar letterlijk: wie ben je? Wie ben je vannacht geworden? Een afgewezene of een verloofde, Naomi beseft dus wel degelijk dat ze Ruth in het hol van de leeuw had gestuurd.

Wie ben je? En dan vertelt Ruth wat Boaz gedaan heeft, 6 scheppen gerst heeft ze meegekregen want je moet niet leeg bij je schoonmoeder aankomen. Dat laatste had Boaz volgens de tekst niet gezegd, maar Ruth voegt dat om daarmee aan te geven dat er ook voor Naomi een losser is.

Niet met lege handen naar je schoonmoeder toegaan, dat is altijd een goed advies, maar hier heeft het extra betekenis, omdat toen Naomi met Ruth in Bethlehem terugkeerde ze verbitterd zei, leeg ben ik teruggekeerd. Dat moet Ruth op dat moment toch ook wel gestoken hebben.

Dat vind ik tenslotte zo mooi en wijs aan het verhaal dat die relatie tussen Naomi en Ruth die door wederzijdse afhankelijkheid en onuitgesproken verwachtingen belast dreigt te worden, wordt gelost, ze komen weer vrij tegenover elkaar te staan.

Een prachtige geloofsbelijdenis: een Losser bent U, God, wat zou ik zonder U geweest zijn, die de schuld wegneemt en uit de ellende bevrijdt. En wie ben jij? ‘Wees een vrij mens!’,  zegt Ruth, door voor elkaar een losser te zijn, door iemand uit een netelige positie los te maken, een weg vrij te maken, lege handen te vullen

Waar ben je thuis? Schuilen mag je onder Gods vleugels en voor een ander 1 van die vleugels zijn.

Amen

Aren lezen

Nicolas Poussin Boaz en Ruth op het veld (ca. 1660), bron statenvertaling.net

Intredepreek Dorpskerk Barendrecht Zondag Trinitatis

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Zondag Trinitatis vandaag, van de Drie-Eenheid, de zondag na Pinksteren viert de kerk dat God zich laat kennen als Vader, Zoon en Heilige Geest. Daar zit veel in, dat God zich op diverse manieren met mensen in contact treedt, dat geeft ook een bepaalde structuur aan, de Bijbelse drieslag van schepping, verlossing en voltooiing. En het probeert bovenal iets onder woorden te brengen van de grootheid van God, die je begrip te boven gaat.

Het is bij uitstek de zondag van de lofprijzing: God in de hoog alleen zij eer

Dietrich Bonhoeffer zegt: De leer van de Drie-Eenheid is ontstellend eenvoudig; ieder kind kan het begrijpen. Er is maar één God, maar deze God is de volmaakte liefde en als zodanig is Hij Jezus Christus en de Heilige Geest. De leer van de Drie-Eenheid is niets anders dan een zwakke menselijke lofprijzing op de onstuimigheid van de liefde waarmee God zichzelf verheerlijkt en de wereld omvat.

Herman Finkers vertelt in zijn show na de pauze hoe hij op de lagere school werd doodgegooid  met dogma’s, het dogma van 1+1=2 en het dogma van de reductie, het is allemaal niets ander dan, totdat de kapelaan in de klas kwam vertellen over God. Er is 1 God en die bestaat uit drie personen. Goddank dacht de jonge Herman, eindelijk iemand met wie ik kan praten.

De drie-enigheid van God vertelt dat de ene God relatie is in zichzelf, een en al liefde en leven. Van binnenuit.

Een Joodse leraar heeft gezegd dat de eigenschappen van de Eeuwige een opdracht zijn voor de mens. In het verbond staat het Hebreeuwse woord Chesed centraal, de vriendschap van God waarmee hij zich verbindt met zijn volk, trouw-liefde. Chesed.

 Het verhaal van Ruth vertelt prachtig hoe die vriendschap van de Ene in de praktijk wordt gebracht, gebeurt. Waar de een de ander die vriendschap betoont, door de arme te eten te geven, de werkzoekende zinvolle arbeid, door de vreemdeling gastvrijheid te bieden, de kwetsbare te beschermen, de eenzame aan te spreken, door de namen van de gestorvenen in ere te houden.

In het verbond tussen God en zijn volk is het daarom een gebod dat je bij de oogst niet inhalig bent (Leviticus 19). Bij het binnenhalen van het koren, moet je de randen van de akker niet geheel afmaaien , dat zou haast een ecologische natuurbeschermende richtlijn kunnen zijn.

En na het inzamelen moet je als eigenaar de akker niet nog een keer nalopen om de laatste korenaren op te rapen die zijn blijven liggen, want die zijn voor de arme en de vreemdeling, de gebukten, mensen in de marge voor wie dit de laatste strohalm is. Het is aan hen om die aren op te rapen, te lezen. Het nalezen van de oogst.

Zo krijgt de naaste in precaire omstandigheden recht van bestaan. Ik ben er van overtuigd dat het bovendien een wet is die alle werkers op het veld beschermt. Het voorkomt een afrekencultuur waarin je tot de rand gaat en nooit een steek of een korenaar mag laten vallen. Je bent gezegend als je werk mag doen waarbij er ook wel eens wat blijft liggen.

De Schriftlezing uit Ruth 2, zijn we begonnen in de lunchpauze. Vanaf de vroege morgen is Ruth aren aan het verzamelen achter degenen die de gerst maaien en de vrouwen die het koren in bundels bijeen brengen. Ze raapt de gemaaide aren op die blijven liggen.

En dan is het pauze, etenstijd. Niet voor iedereen per se het meest ontspannen moment van de werkdag. Als je pech hebt het moment dat er racistische of vrouwonvriendelijke grappen worden gemaakt, of dat je wordt buitengesloten of geconfronteerd met je eigen sociale ongemak, zeker als je die nieuweling bent, Ruth, de Moabitische.

De rapper Typhoon heeft deze week een nummer uitgebracht en dat heet: ‘alleen in de pauze’, het gevoel van eenzaamheid dat juist jonge mensen parten speelt en hoe lastig het is om dat te door breken. Ook als je omgeving van goede wil is, kun je zo opgesloten zitten in je zelf.

Dus als het etenstijd is wil Ruth het liefste gewoon doorwerken, ze is niet in een dienst bij Boaz, als zzp-er heeft ze geen recht op pauze, wordt ze niet doorbetaald, maar Boaz roep haar erbij in de geest van het gebod dat het werk kan wachten. Kom maar hier, neem een stuk brood en doop het in de wijn.

Ruth komt erbij zitten. Een sabbatsmoment, eucharistie, brood wordt gedeeld en er is genoeg, ze houdt over. Is dat niet een prachtig beeld van kerk zijn, je mag er bij komen zitten en mee-eten, en je kan er  weer tegen. Innerlijk gesterkt.

Op het schilderij de korenoogst van Pieter Bruegel zie je het goudgele graan in een golvend Brabants landschap, boeren die met een zeis aan het maaien zijn, mannen en vrouwen die onder een boom rusten, eten en drinken. En in de verte zie je de raapsters gebukt gaan in hun armoedige kleren. Op een afstand dus, dat zegt iets over de sociale verhoudingen.

Een van de mooie details in het verhaal van Ruth is daarom dat vanaf het moment dat Boaz Ruth aanspreekt, zij niet alleen meer achter de maaiers blijft, op afstand, maar dat ze aansluiting vindt, ze trekt op met de vrouwen die de gemaaide gerst bundelen. Er staat eigenlijk dat ze zich aan hen hecht, zoals ze zich aan Naomi hechtte  toen ze zei: uw volk is mijn volk en uw god is mijn god. Afstand wordt nabijheid.

Het verhaal benadrukt hoe belangrijk het is dat die aansluiting, die hechting veilig verloopt, Boaz is beschermend, misschien wel over beschermend, want Ruth zelf is assertief genoeg. Boaz wijst de mannen op hun verantwoordelijkheid, val haar niet lastig, kom haar niet te na. Dat hoort bij goed werkgeverschap, dat je anticipeert op pesterijen en intimidatie.

Er zit nog iets van humor in het verhaal. Als Ruth thuiskomt en schoonmoeder Naomi vraagt waar ze is geweest en hoe het gegaan is, dan zegt Ruth dat ze achter de maaiers, dus achter de jongens is aangegaan. Naomi corrigeert haar subtiel, ‘het is goed dat je je aansluit bij de vrouwen’. Naomi heeft al door dat Boaz voor Ruth en dat ze niet meer achter de jongens aanhoeft. Daar gaan we volgende week op door,

Vandaag zondag Trinitatis, God die relatie is in zichzelf, een en al eeuwige vriendschap. En daarom zijn er niet zomaar individuele gelovigen, maar is er een volk van God en een kerk, een gemeente van Christus, waar je aan verbonden wordt en aan gehecht raakt, waar brood en wijn worden gedeeld, sabbat gevierd en samengewerkt, om medearbeiders van Gods grote oogst te zijn.

De God van Israël,  die een Losser is, dat komt in het vervolg aan de orde, een Losser die nabij is en niet op afstand blijft.

Het begint er mee dat je wordt aangesproken, begroet van Godswege, zoals Boaz de maaiers begroet. De Ene zij met jullie, en dan het antwoord van de maaiers: De Ene zegene u. Een wisselwerking. Liturgie in optima forma.

Die aanspraak van God, die maakt dat je uit je eenzaamheid wordt gehaald, dat de sfeer niet klef wordt of de regels te star, maar dat er voor ieder een plek is om er bij te komen zitten.

God onder wiens vleugels je een schuilplaats vindt, zo zegt Boaz. God die in de woorden van Naomi zijn vriendschap, zijn Chesed, niet verlaat, trouw bewijst aan levenden en doden.

Ik heb me tenslotte afgevraagd of gemeentepredikant zijn zoiets is als aren lezen, achter de maaiers aan, je wordt in het veld gebracht, je begeeft je aan de rand, in de marge en tussen de schoven, je zoekt aansluiting bij de plaatselijke praktijk en raakt er aan gehecht.

Je pakt op wat blijft liggen en je verzamelt. Je ontvangt wat je krijgt aangereikt en daar deel je van uit. Dan is er genoeg en dan is er over. Overvloed.

Ere aan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Amen

Pinksteren met Orpa en Ruth

Preek bij Ruth 1, Pinksteren 2022, afscheid als gemeentepredikant in Fijnaart

Pieter Bruegel-de Oogst, ca. 1565

Het Bijbelboek Ruth: in de synagoge wordt dat met Pinksteren gelezen, het is van oorsprong het feest van de eerstelingen van de oogst, en dat is in het verhaal van Ruth de achtergrond, de graanoogst, eerst gerst en dan tarwe. Het boek Ruth,  4 hoofdstukken, loopt uit op een oogstfeest, maar het begint met honger, gemis en leegte en dat in Bethlehem, de plaatsnaam die broodhuis betekent.

Geliefde gemeente,

De afgelopen tijd heb ik vaak het Orpa-gevoel gehad. Hoe zal ik dat omschrijven? Samen met u ben ik de afgelopen 8,5 jaar opgetrokken, hebben we lief en leed gedeeld, huwelijken en begrafenissen, rouw en trouw, en nu ga ik toch weer mijn eigen weg als predikant, en dat geeft emotie, er vloeien tranen, we kussen elkaar, als het ware, en ik besef dat ik heel wat achterlaaat, nu ik ‘samen met mijn gezin’ de keuze heb gemaakt om naar Barendrecht te gaan..

En dan is het fijn te merken dat u het jammer vindt en dat u het begrijpt en het zelfs nog verstandig vindt ook.  Meerdere keren werd er tegen me gezegd: ‘Je moet ook aan je toekomst denken’

Aan je toekomst denken, dat is eigenlijk precies wat schoonmoeder Naomi tegen haar beide schoondochters Orpa en Ruth zegt. Keer terug, ga naar huis, ik kan jullie geen toekomst geven in mijn land, jullie moeten nu voor je zelf gaan, voor je gezin.

Dat Naomi dat zo beslist zegt heeft te maken met het zogeheten zwagerhuwelijk dat in het Oude Israël was voorgeschreven. Als een man overleed, dan trouwde de weduwe met diens broer, zodat zij niet aan haar lot werd overgelaten en zodat de naam van de overleden broer voortleefde. Een sociale wet met een diepe geestelijke betekenis: dat je naam voortleeft!

Naomi zegt heel direct en realistisch, ik heb geen zonen meer, zelfs als ik nog kinderen kon krijgen, dan hadden jullie daar niets aan. Voor mij is er geen hoop, ik kan jullie geen toekomst bieden. Voor mij moeten jullie niet meegaan, julllie hebben al zoveel gedaan. Ga terug naar je volk en je god.

Het Orpagevoel… Daar staan ze dan op het kruispunt tussen de velden van Moab en Bethlehem in Juda, aan de oever van de Jordaan, zo zie ik het voor me. Ongeveer 10 jaar staat er, laten we zeggen ruim 8, zijn ze met elkaar verbonden geweest, ze denken aan hun doden, die worden steeds genoemd, de gestorven dierbaren die hun ontvallen zijn. En hier scheiden dan hun wegen.

De prachtige wens die Naomi haar schoondochters meegeeft is: Dat de Eeuwige jullie trouw zal bewijzen, trouw-liefde-vriendschap-zoals jullie dat hebben gedaan voor mij en voor de gestorvenen. Dat je die mag ervaren, die vriendschap, goedertierenheid van God.

Tot tweemaal toe barsten ze in tranen uit. Het afscheid gaat niet in een keer. Naomi kust haar schoondochter, Orpa kust haar schoonmoeder en keert om. Haar naam betekent ‘nek’. Dat klinkt negatief, iemand de nek toekeren, maar ze wordt gewaardeerd om wat ze gedaan heeft aan trouw/vriendschap en liefde.

Maar Ruth hecht zich aan haar schoonmoeder, ze houdt haar vast, kleeft aan haar staat er zelfs. Ze laat niet los.

Vandaag bevind ik me in de positie van Orpa, gemeente en predikant worden van elkaar losgemaakt, zo heet dat,  maar laten we Ruth niet vergeten, want het verhaal gaat verder, over toekomst gesproken.

Je moet aan je toekomst denken, dat is waar, maar natuurlijk denk ik ook aan de toekomst van de gemeente hier denken.

En dan ben ik ook wel zo dat er ik er eigenlijk nog graag over mee zou willen praten, meerjarenplannen, visies, een kerktuin, maar ja, ik ga. Wel zou ik willen zeggen, tel je zegeningen, idealiseer het verleden niet, wees dankbaar voor de mensen die er zijn, van alle generaties die meedoen of gewoon gemeentelid willen zijn, die heb je misschien nog wel het meeste nodig.

En in de Fijnaart lokaal zeg ik deze week dat niet al onze supporters wekelijks op de tribune zitten, maar ik ben toch wel heel dankbaar dat er vandaag zoveel mensen zijn.

Of… stap ik dan te gemakkelijk over zorgen heen en moet ik me met Naomi afvragen, is er wel hoop? dat zou toch eigenlijk een wonder zijn. Hoop voor de kerk, voor deze gewonde wereld… Is er niet veel meer reden tot bitterheid.

Het valt me op dat Naomi behoorlijk dubbel is. Ze is ondernemend. Wanneer haar in Moab ter ore komt dat God zijn volk weer brood geeft, dan staat ze op om na zoveel jaren weer naar Bethlehem te gaan. En ze gunt haar schoondochters oprecht het goede, dat God hen trouw zal bewijzen en dat ze een nieuw thuis vinden, waar ze rust vinden, geborgenheid.

Maar voor zichzelf ziet ze nauwelijks perspectief, mijn lot is bitter, de Heer heeft zich tegen mij gekeerd. En dat dubbele hoor je ook terug in hoe ze God noemt. Ze spreekt aan de ene kant over hem als de Aanwezige, de Naam die betekent, ik zal er zijn, maar daarnaast ook over God als de Ontzagwekkende, de grote onbekende. Dubbel, vandaar haar twee namen: Naomi, geliefde en Mara, bitter.

Laten we Ruth niet vergeten, want Ruth: dat ben jij, in je trouw als lid van de kerk, je gehechtheid aan de gemeente van de Heer, je betrokkenheid op welke manier dan ook.

Ruth die tegen Naomi zegt: uw volk is mijn volk en uw God is mijn God. Zij hecht zich aan de gemeenschap, wat ben ik in de afgelopen jaren blij geweest met de mensen die erbij kwamen, de herintreders en zij-instromers.

Die in de kerk iets ervaren van thuiskomen, zoals Ruth zelf zegt dat ze terugkeert, thuiskomt met Naomi, hoewel ze als Moabitische, als vreemdelinge binnenkomt.

Dat is de belijdenis van Ruth die samen met Naomi terugkeert: bij God en zijn volk kom je thuis.

En die vriendschap van God, waar Ruth nog niets van wist en waarvan Naomi dacht dat is niet meer aan mij besteed, die wordt realiteit, die gebeurt

Ruth en dat ben jij vertelt mij, dat dat toekomst heeft, dat is toekomst, waar mensen , waar de een de ander die trouw bewijst in de dubbelheid van het leven, die vriendschap door dik en dun, we hebben dat hier meegemaakt, meegekregen, we zijn er aan gehecht geraakt.Waar de vriendschap van de Eeuwige wordt geleefd en gedeeld is er hoop.

Naomi keert terug als ze hoort dat God zijn volk weer bezocht heeft door het brood te geven. Uit het vervolg van het verhaal zal blijken dat dat niet vanzelf gaat, het komt er op aan komt dat de mensen elkaar voeden,  de diakonale collecte vandaag heeft daar mee te maken, dat er voor ieder te eten is, voor vreemdelingen en volksgenoten. Dat is ook hard werken, noeste arbeid, Ruth draait daar haar hand niet voor om.

Zo keren Naomi en Ruth beiden terug in Bethlehem, dat zijn naam als broodhuis weer eer aan zal doen, aan het begin van de gersteoogst. Iemand vertelde me dat de graansoort gerst nogal stekelig is, het prikt, daar moet je dus ook tegen kunnen, heb ik hier ook geleerd. Maar je kunt er wel lekker bier van brouwen.

Uw volk is mijn volk, en uw God is mijn God, zo  zijn we aan elkaar gehecht geraakt, dat de Heer uw trouw zal bewijzen. Zo raken we niet los van elkaar, dankzij de geest van Jezus Christus die aan ieder gegeven is ten bate van de gemeente.

Want het is dus Pinksteren vandaag, uitstorting van de Heilige Geest, het begin van de kerk op het feest der eerstelingen. Komt laat ons deze dag met heilig vuur bezingen!

Open je ogen

Rembrandt, de doop van de kamerling, Catharijneconvent Utrecht, bron: Statenvertaling.net

‘Verstaat gij wat gij leest?’, vraagt Filippus aan de Ethiopische diplomaat die in zijn reiswagen de profeet Jesaja aan het lezen is. (Handelingen 8).

Dit voorjaar werd er in Nederland bijna huis aan huis een brochure verspreid met de titel ‘eye-opener’, een eenmansactie van een evangelist die er van overtuigd is dat de Bijbelse profetieën in onze tijd uitkomen. Toevallig was er op ons adres niet een bezorgd, maar een gemeentelid was zo vriendelijk haar exemplaar aan mij te geven.

Waarom denk ik dat zo’n brochure deels de plank misslaat? Dat heeft volgens mij met het onderscheid te maken tussen uitleg en toepassing. Dit is een principe dat in de christelijke traditie en zeker in de protestantse kerken altijd is gevolgd.

Als je de profetieën in de Bijbel leest, zowel Oude als Nieuwe Testament, dan merk je dat de profeten en apostelen geïnspireerd waren om voor hun eigen tijd geloofsgetuigen te zijn. Zij verkondigen wat zij van Godswege hebben meegekregen en wat de Geest hen ingeeft. Daarom is het Gods woord en tegelijkertijd zijn het menselijke verwoordingen van dienaren die beperkt zijn door de omstandigheden waar ze zelf in leefden. Ze konden niet over hun eigen horizon heenkijken.

Als ik wil verstaan wat ik lees, dan moet ik begrijpen dat iemand als Jesaja profeteert over de situatie waarin hijzelf verkeerde. Maar dat is gelukkig niet het enige. We mogen deze getuigenissen vervolgens ook toepassen op onze eigen situatie. Je maakt een vertaalslag. Daar heb je verbeeldingskracht en luistervaardigheid voor nodig, gebed en geloof. En wat daarbij helpt is een preek die de tekst uitlegt én actueel maakt, een Bijbelkring of een cursus theologische vorming voor geïnteresseerden. En met het bewustzijn van Black Lives Matter lezen we het schilderij van Rembrandt met nieuwe ogen.

Dus als iemand zegt dat we in 2021 in een bevoorrechte situatie verkeren omdat de Bijbelse profetieën precies in onze generatie bezig zijn uit te komen, dan denk ik persoonlijk dat je deze teksten verkeerd uitlegt. Als iemand echter  laat zien dat Gods woord van ons vraagt om het op onze tijd toe te passen, omdat God ook nu werkt en ons meeneemt door zijn Geest, dan worden je ogen geopend.

meditatie kerkblad juni 2021

Pinksteren en de laatste dagen

Giotto, de uitstorting van de Heilige Geest, Arenakapel, Padua (bron afbeelding statenvertaling.net)

Pinksterpreek bij Handelingen 2:14-24

7 weken na Pasen, op de 50e dag vanaf het Joodse Pesachfeest geteld, wordt Pinksteren gevierd.  Pinksteren betekent 50, vandaar. Het heet in het Jodendom het wekenfeest, vanwege die 7 weken, het is  het feest  der eerstelingen, In Israël het begin van de tarwe-oogst. En terwijl Pesach het feest van de uittocht is uit Egypte, viert Pinksteren de gave van de wet. Dat het volk in de woestijn bij de berg Sinaï van God de geboden had ontvangen en beloofde zich daar aan te houden. Het feest  van het verbond, God verbindt zich met zijn volk.

Het Bijbelboek Handelingen vertelt hoe het aan het begin van onze jaartelling in Jeruzalem een multicultureel feest is rondom de tempel. Joden uit alle windstreken zijn er  samen gekomen om dit gedenken, het is een evenement met een sterk idee, een ideaal van verbroedering en verbondenheid. Vergelijk  het met  euro-songfestival in Ahoy.

En daar op straat in Jeruzalem horen al die gasten iets waar ze van opkijken, iets aparts en toch vertrouwd, want ze horen hun eigen taal. Als je in het buitenland bent en je hoort op het terrasje naast je mensen in het Nederlands praten, dan spits je je oren, je vangt iets op wat je thuis kunt brengen en je luistert mee.

En wat horen ze in hun eigen taal en tongval? Het zijn vreemd genoeg geen landgenoten, maar Galileërs die zich laten horen. Apostelen, volgelingen van Jezus, die ze de Christus, messias noemen. En een van die mannen stapt naar voren, als woordvoerder, het is Petrus, hij houdt een toespraak, geïnspireerd, emotioneel en indrukwekkend.  Een preek over de profeet Joël.

Is het een donderpreek? Het is een stormachtig betoog met dreiging van donkere wolken, ja het dondert, het bliksemt en het stormt  en toch of eigenlijk daardoor wordt de lucht geklaard.

Je  merkt dat het voor Petrus een moment van ontlading is, eindelijk kan hij zich uiten en een deel van het publiek wordt er door gegrepen, geraakt, ze  nemen het ter harte. Hij spreekt hun taal.

Het opmerkelijke is echter dat de tijdsaanduiding ‘in het laatste der dagen’/ ‘aan het einde der tijden (Nieuwe Bijbelvertaling)  waarmee de profetie wordt ingeleid niet van Joël is. Die komt uit het beroemde vredesvisioen van Jesaja en Micha over zwaarden die omgesmeed worden tot ploegen en speren tot snoeimessen.

Petrus verbindt dus volgens een beproefde rabbijnse uitlegmethode de revolutionaire tekst van Joël die deels een dreigend karakter heeft met de belofte van niets minder dan wereldvrede die Jesaja voor zich ziet: de volken zullen niet  langer leren wat oorlog is.

Het laatste der dagen,  het einde der tijden, dat is in de Bijbel geen aanduiding voor het einde van de wereld, maar de belofte van een nieuwe begin, een nieuw verbond. Een visioen van vrede en gerechtigheid landt in de realiteit.  Het zal zijn in het laatste der dagen

Petrus ziet dat tijdens het Pinksterfeest gebeuren, dat de profetie van Joël in vervulling komt:  het is nu gaande. Opvallend dat deze oude tekst zo inclusief is. Zonen en dochters worden genoemd,  jongeren en ouderen, dienaren en dienaressen. Allemaal, vrouwen en mannen, jong en oud, worden ze geraakt door het verhaal van Jezus. Het gaat nu in hen leven.

God stort zijn hart uit, zodoende komt de missie van de God van Israël op gang. Naar alle richtingen. Zie ik zal mijn geest uitstorten op al wat leeft.

‘Op alle vlees’ staat er in de oude vertaling, dat wordt in het Nieuwe Testament ook ove Jezus gezegd, dat hij ‘in het vlees’ gekomen is. Dat hij dit aardse bestaan, dit leven met zijn ups en down, lusten en lasten aanvaard heeft en gedragen heeft.

Afgedaald is in onze realiteit, in je strijd met een depressie of verslaving. In de stille armoede en de schuldsanering. Ook in het slepende conflict tussen Israël en de Palestijnen en alle andere burenruzies.

Zijn geest wordt nu uitgestort op alle vlees, op als wat leeft, op het aardse. Dus die Geest van Jezus zoekt de lijdende schepping op, zucht mee in de ziekenhuizen, gaat wonen in de probleemwijken en vluchtelingenkampen. Land waar de aarde woest en ledig is.

Maar eerst dus in Jeruzalem en er zit in dat uitgieten van Gods Geest dus iets van spanning. Het is geen fluwelen revolutie, maar een spannend gebeuren, er was onrust, net als deze Pinksterdagen trouwens, veel volk op de been. De komst van de Geest ging met een harde stormwind en een donderend geraas gepaard. Je wordt wel even weggeblazen, het brengt je van je stuk. Toen ik eerder dit weekend een rondje ging fietsen door de polder, waaide ik bijna van de dijk. Dat gevoel.

En dan nog die donderpreek van Petrus, er staat dat de mensen er kapot van waren. Hij stapt naar voren en zegt (inclusief) tot allen: “jullie hebben toch gehoord van Jezus van Nazareth, die door de Romeinen gekruisigd is, jullie hebben dat  laten gebeuren, en jullie dachten misschien, ‘ja zo gaat dat nu eenmaal’, maar God heeft het er niet bij laten zitten, hij heeft hem opgewekt.”

Dat komt aan. Je dacht naar eer en geweten gehandeld te hebben en nu word je toch verantwoordelijk gehouden, je dacht het intern te hebben te hebben opgelost en nu ligt het toch op straat.

Dat is wat de Heilige Geest doet, een rechtvaardig oordeel vellen, de waarheid boven tafel krijgen, de slachtoffers van de geschiedenis een stem geven. Daarom gaat het er stormachtig aan toe.

En vandaar een donderpreek, maar het is geen bangmakerij. De Johannesbrief zegt: ‘daarom kunnen we op de dag van het oordeel vol vertrouwen zijn’. Je mag vrijmoedigheid hebben, dat woord gebruikt Petrus hier. Juist in het oordeel, omdat het Jezus het oordeel heeft gedragen. Juist als het spannend wordt, als die beelden van de profeet Joël van bloed en vuur en rook zich aan je opdringen, dan is er de belofte van dat nieuwe verbond, dat God zijn vredesproces niet opgeeft.

Na het nieuws van de laatste dagen is het mijn gebed dat het ook nu weer Pinksteren mag worden in Jeruzalem en omstreken.

Tranenbrood

Pieter de Witte, het Laatste Avondmaal, ca. 1590, bron: Statenvertaling.net

Preek op Witte Donderdag bij Deuteronomium 16:1-8 en Marcus 14:17-25

‘Het is het tranenbrood dat  u zolang u leeft, zal herinneren aan de dag waarop u wegtrok uit Egypte’ (Deut. 16.3) ‘Ze werden bedroefd’ (Marcus 14:19)

‘En zij werden bedroefd’, de discipelen beginnen te huilen als Jezus hen aanspreekt tijdens de Pesachmaaltijd die ze met elkaar vieren volgens het gebod dat God aan het volk Israël gegeven heeft om de Exodus, de uittocht uit Egypte te gedenken.

Wanneer doen ze dat?  op de vooravond van het feest van de ongezuurde broden, als het Paaslam (het Pascha) geslacht is, bij volle maan in de maand Abib, oftewel de korenaar-maand, als in Israël het vroege graan begint te rijpen.

Waar zijn ze, in Jeruzalem? in de Tora aangeduid  als ‘de plaats’, de plaats waar de Heer zijn Naam (Ik-Zal-Er-Zijn) laat wonen, daarom was Pasen een pelgrimsfeest en gingen de Israëlieten dan naar die plaats, Jeruzalem.

De opdracht is om Pesach te vieren alsof je de verlossing uit Egypte  zelf hebt meegemaakt: ‘”Niet alleen onze voorouders, wij zelf zijn toen bevrijd.” Ook wij moesten in Egypte het slavenwerk doen en in de woestijn voetbalstadions vestingsteden bouwen.

En daarom eten Joden, toen en nu,  7 dagen lang die matses, ongegist brood dat in Deuteronomium brood van de verdrukking wordt genoemd, brood van de ellende, in onze vertaling: tranenbrood.

Brood om je te binnen te brengen dat je in Egypte in de ellende zat, in de misère en dat de Heer je daaruit heeft gehaald, je bent er uit gekomen.

 Waarom is dat brood ook al weer ongegist? Nou, toen ze op de avond van de uittocht halsoverkop ontsnapten moesten ze eten meenemen. Ze hadden dus geen tijd om het deeg te laten rijzen en rusten, het moest snel, als de wiedeweerga, worden klaargemaakt.

Het is deze avond dus, aan het begin van het feest van het tranenbrood. Jezus heeft er naar uitgekeken om dit met zijn leerlingen te vieren, hij heeft het ondanks alle perikelen zo gepland dat hij deze maaltijd met zijn leerlingen kan houden, dat het door kan gaan, ongestoord. Het wordt zijn laatste avondmaal, hij weet het.

De matses worden dus brood van ellende, tranenbrood genoemd. En tranenbrood is het voor Jezus en zijn leerlingen. Door emoties bevangen. Tot tranen geroerd.

Waarom zijn ze zo verdrietig. Omdat Jezus zegt,:1 van jullie zal mij verraden, overleveren. Het gevaar komt niet van de romeinen of de hogepriesters of de farizeeën of de menigte, maar van dichtbij zegt Jezus, 1 van jullie 12 zal het zijn, zal het doen.

Grote consternatie, allemaal schieten ze in de ontkenning: ‘ik toch niet Heer?’ Ja, je zou er maar op aangekeken worden, je zou er maar van verdacht worden dat jij dit hebt bedacht. 1 van jullie wil van me af: Jezus van Nazareth, functie elders.

Ik toch niet Heer. Jezus stelt zijn leerlingen niet gerust; De mensenzoon (de messias) gaat heen, zal sterven. Jullie gaan dat niet voorkomen, jullie gaan me hier niet uit redden. En 1 van jullie heeft het op zijn geweten, ‘voor die mens was het beter als hij niet geboren was’, staat er. Woorden die door merg en been gaan.

Het wordt Judas wel degelijk aangerekend, maar het houdt iets raadselachtigs, zijn fatale daad van verraad is meer dan een mens dragen kan. Het Marcusevangelie laat trouwens open hoe het met Judas afliep, Matteus vertelt bijvoorbeeld wel over zijn noodlottige einde, maar Marcus laat het in het midden.

Jezus wijst hem hier niet als schuldige aan, maar legt het in de groep, 1 van jullie zal mij verraden.

Jezus legt het ook hier in ons midden op tafel als wij zijn maaltijd houden en dan heb ik ook de neiging om te ontkennen: ‘ik toch niet Heer, laat mij er buiten. Ik was het niet, ik ben geen heilige, oke, maar voor eigen gewin iemand verraden, dat toch niet…’

Verraden? Er staat ‘overleveren’, Jezus wordt in het lijdensevangelie telkens overgeleverd: door Judas aan de hogepriesters, door de hogepriesters aan Pilatus, door Pilatus aan zijn soldaten die hem kruisigen. Ze willen allemaal van Jezus af, functie elders, maar niemand steekt zijn vinger op: ik ben het Heer.

Jezus zegt, het is 1 van de 12 die met mij het brood in de schotel indoopt, ja dat hoort bij deze avond, bij de Pesachmaaltijd, dat je die harde matse in een kommetje water doopt, water waar zout aan toegevoegd is, voor de smaak, ja, om te denken aan het bloed, het zweet, de tranen die in Egypte zijn vergoten: tranenbrood, brood van ellende.

Ja dat doen ze allemaal en wij nemen ook van het tranenbrood als wij de maaltijd van Jezus vieren op deze Witte Donderdag, daarmee belijden we onze schuld, want ook wij waren er bij en we lieten Jezus in de steek. ‘Jullie zullen me allemaal laten vallen.

En we nemen het tranenbrood met diepe dankbaarheid, omdat het Pasen wordt en ook wij worden bevrijd, we gaan het meemaken: ‘wat met tranen is gezaaid, wordt met gejuich gemaaid’, je wordt herboren. En dat zet volgens mij zelfs die uitspraak over de mens die beter niet geboren had kunnen zijn in een nieuw licht.

Want Jezus zegt tot alle 12 als hij het brood breekt: ‘neem, dit is mijn lichaam’ en hij zegent de wijn, ‘dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt’.

Dank u Heer, Geprezen zij de Naam, lof zij Christus in eeuwigheid. Amen

De wijsheid van een Kind

Hans Memling, Maria en kind, ca. 1479, bron metmuseum.org

Er is veel behoefte aan wijsheid in deze tijd. De wijsheid van deskundigen die ons een weg wijzen door de coronaperikelen. De wijsheid van bestuurders die maatregelen moeten nemen . De wijsheid van het personeel in verpleeginstellingen en ziekenhuizen die menselijke nabijheid en verstandig beleid moeten zien te combineren.

Bij wijsheid denken we al snel aan een oude vrouw of man, want verstand, zo wordt er gezegd, komt met de jaren en ik ben altijd weer onder de indruk van wat ik kan leren van de generaties voor mij.

Maar het bijbelboek Spreuken vergelijkt de wijsheid niet met een oude van dagen, maar met een kind. Een kind dat speelt voor Gods aangezicht. Al voordat de schepping begon…

30was Ik bij Hem, Zijn Lievelingskind,
Ik was dag aan dag  Zijn bron van blijdschap,
te allen tijde spelend voor Zijn aangezicht,
31al spelend in de wereld van Zijn aardrijk.
Mijn bron van blijdschap vond Ik bij de mensenkinderen. (Spreuken 8:30-31, HSV)

Van oudsher heeft de kerk dit gedeelte uit het Oude Testament gelezen en uitgelegd als een messiaanse tekst. In deze goddelijke wijsheid die als spelend kind altijd al bij God was, herkende men namelijk Jezus, Gods zoon die in Bethehem geboren wordt, liggende in de kribbe.

Denk bijvoorbeeld aan het bekende Kerstlied ‘kom verwondert u hier mensen’ met de prachtige regels: Zie hoe ligt hij hier in lijden/ zonder teken van verstand/ die de hemel moet verblijden/ die de kroon der wijsheid spant.

Wie had dit kunnen bedenken? Het is Gods wijsheid dat  dit pasgeboren kindje de uitvoerder is van het oorspronkelijke plan van de Allerhoogste om God met ons te zijn.

In de latijnse liturgie van de week voor Kerst klinkt er in het avondgebed steeds een antifoon (antwoordvers) bij de lofzang van Maria, waarin Christus wordt gebeden ter wereld te komen. De eerste van 7 aanspreektitels waarmee de komst van Christus wordt ingeleid is ‘Wijsheid’. Merk op dat deze wijsheid niets met opleidingsniveau te maken heeft, maar alles met mildheid en kracht.

O wijsheid, voortgekomen uit de mond van de Allerhoogste 
Gij omspant de wereld van het ene einde tot het andere 
Gij doordringt alle dingen met mildheid en kracht 
Kom nu en leer ons de wegen van wijsheid en inzicht.

De Duitse schrijfster Esther Maria Magnis die een boek heeft geschreven over de o-antifonen zegt: “De wijsheid die uit Gods mond voortkwam, die wij aanroepen in deze donkere dagen is jong, veel jonger dan wij zelf.”

Het spelen van een kind is een bron van inzicht, opvoeders en leraren kunnen daarover meepraten. De concentratie en aandacht waarmee een peuter of kleuter opgaat in zijn spel  is een ontroerend gezicht.

 Een van onze kinderen maakte graag muziek met zelfbedachte instrumenten en  we dachten er toen wijs aan te doen om een speelgoedgitaar voor hem te kopen, maar daar had hij totaal geen belangstelling voor. Het plezier zat juist in de fantasie om van niets iets te maken.

God  verliest zichzelf door spelenderwijs in ons midden te zijn. Uit niets weet de Schepper iets nieuws te maken.

Deze speelse en creatieve wijsheid wens ik je van harte toe voor het nieuwe jaar.

De gewonde levensboom #geendorhout

Olijfgaard, Vincent van Gogh, beeld: Kröller-Muller

Deze week was het 100 jaar geleden dat de dichter Willem Barnard werd geboren en 10 jaar geleden overleed hij. Toen er eens een buste van hem gebeeldhouwd werd, sprak hij over zijn eigen beeltenis als een sukkel op een sokkel.

Deze zondag lezen we in de kerk over de olijfboom uit Romeinen 11, Paulus schrijft daar over wortels en takken die worden afgebroken en weer vastgehecht. Zonder de liederen van Willem Barnard zou het vast een houterige preek geworden zijn. Een dorre boel.

Maar dankzij 2 gezangen over de levensboom die me te binnen schoten, allebei bleken ze dus van Barnard, ging de inspiratie toch stromen. Ten eerste lied 547: Met de boom des levens/ wegend op zijn rug, droeg de Here Jezus/ Gode goede vrucht.

En lied 841: Wat zijn de goede vruchten/ die groeien aan de Geest…  We zingen ook het derde couplet dat streng is en het geloof op scherp zet, maar in het vierde vers komt er weer leven in het dorre hout.

Daar gaat het over enten, een techniek die boomkwekers nog steeds gebruiken en die Paulus als beeldspraak gebruikt om aan te duiden dat de christenen die hij aanspreekt van nature niet tot de messiaanse stam behoren, maar daar vanwege Gods goedheid aan vastgehecht zijn .

Dat het kruis van Christus een bloeiende levensboom wordt, kom je vaak tegen in middeleeuwse kunst. Bijvoorbeeld in de dom van de Noordduitse stad Lübeck,  die ik deze vakantie bezocht.  Het kruis met de lijdende Heer is omgeven door organisch houtsnijwerk met takken die uitlopen in de figuren van profeten en apostelen. Het is de verdienste van Barnard dat hij deze geloofsverbanden die we door de beeldenstorm kwijt waren geraakt, terug heeft gebracht in ons protestantisme.

Triomfkruis in de dom van Lübeck, 1477

Wat ik ook nog ontdekte is dat de inkepingen waar de te enten takken in worden gestoken in de fruitteelt ‘wonden’ worden genoemd. En dat zijn het ook, de boom wordt verwond om de aangroei van andere takken mogelijk te maken. Zo ga ik de verering van de wonden van Christus, die ik altijd wat apart vond beter begrijpen. Doordat de messias zich liet verwonden, mag ik mij hechten aan de levensboom. #geendorhout.

interreligieuze dialoog

Hans Memling, reliekschijn heilige Ursula (1482-1489), Hospitaalmuseum Brugge, foto lucasweb.be

‘Ik bedoel dat er niet zoveel verschil is tussen jou en mij. Dat bekeren is helemaal niet nodig. ‘‘Wij bidden ook, we vasten, we doen aan liefdadigheid. Laat me liever gewoon christen blijven.’ ‘Je weet pas wat je mist als je het ware geloof leert kennen. Vertrouw me maar.’.. ‘We doen zo ons best om elkaar te overtuigen dat je bijna zou vergeten dat het daar helemaal niet om gaat.’ ‘O nee, waarom gaat het dan wel?’’Om de liefde mijn ziel.’ Zo praten de christelijke Jacomien en de islamitische Mohammed met elkaar in de roman ‘Turkenliefje’ van Lydia Rood. Zij heeft haar boek gebaseerd op historische documenten uit de 17e eeuw, maar ik vraag me sterk af of er in de Gouden Eeuw mannen en vrouwen waren die zo dachten. In haar vertelling overwint de liefde de verschillen in godsdienst, zie bovenstaand citaat dat vooral heel postmodern en cultuurrelativistisch aandoet. Als Vondel als 17e-eeuwer zo’n dialoog al voor mogelijk hield, dan kiest hij voor een heel andere dramatiek. Voor hem lag de waarheid niet in het midden en was religie geen bijzaak.

In Vondels toneelstuk ‘Maegden’ is het de heilige Ursula, die bijgestaan door maar liefst 11.000 andere maagden, buitgemaakt wordt door de heidense vorst Atilla (de Hun). Atilla wil haar tot zijn vrouw maken. Zijn priester Beremond wijst hem erop dat zij dan haar christelijk geloof moet afzweren:

O onverwinbre Vorst, bedenck eens wie ghy zyt,

Wat Ampt ghy nu bekleed, noch laat ons dit verwyt

Niet snyden in het hart, dat Attila aan ’t suffen,

Zich van een Christe non in ’t bedde laat verbluffen. (537-540)

Dat is Ursula niet van plan. Natuurlijk is Vondel op haar hand. Naar eigen zeggen wilde hij zijn geboortestad Keulen, de plaats waar het stuk zich afspeelt, eren met deze tragedie, het is ook een van zijn eerste werken waarin hij duidelijk zijn liefde voor de rooms-katholieke moederkerk en haar heiligen belijdt.

Dat er voor Vondel zelf ook wat op het spel stond, blijkt uit het vuur waarmee Ursula haar geloof verdedigt in een interreligieuze dialoog, waarin ook het standpunt van haar tegenspeler overtuigend wordt neergezet. Zo houdt Vondel de spanning er in.

Ursul: ‘Wy roemen eenen God, die alles heeft gebouwt.

Beremond: Dien blooden, dooden God, gehecht aan ’t schendigh hout?

Ursul: Dien oock, die alle maght door ’t sterven heeft verworven.

Beremond: Den Scythen Goôn zijn nooit begraven, noch gestorven. (565-568)

Regieaanwijzingen voor de liefde

Gerard van Honthorst, portret van stadhouder Willem II en Maria Stuart (1647)

De Gouden Eeuw mag dan als term in ongenade gevallen zijn, in de boekhandel lijkt dit tijdvak populairder ooit. Over deze periode verschijnt de ene naar de andere historische roman. Al eerder noemde  ik in een blog  de  ‘De Advocaat’ van Nicolaas Matsier, over het proces tegen Johan van Oldenbarnevelt, dat  Vondel bracht tot het schrijven van Palamedes, zijn creatieve doorbraak. Jean-Marc vanTol publiceerde Musch (2018), dat speelt in 1650, het jaar dat stadhouder Willem II zijn aanslag op Amsterdam pleegde, aan de hand van correspondentie van Johan de Witt en anderen.

Van Simone van der Vlugt las ik  ‘wij zijn de Bickers’ (2019), over een Amsterdamse regentenfamilie. Ook dit jaar verscheen van Lydia Rood het eveneens op archiefonderzoek gebaseerde boek ‘Turkenliefje’ over de Schiedamse vrouw Jacomijn Stout, die als jong meisje met haar ouders en broertje naar Suriname emigreert, maar het schip wordt gekaapt door piraten en ze worden op de slavenmarkt van Algiers verkocht. Ze raakt verliefd op de onderkapitein Mohamed, maar dan wordt het gezin vrijgekocht door de remonstrantse diakonie en keert het gezin terug naar Schiedam. Jaren later ontvangt Jacomien een brief van haar geliefde met een hernieuwd huwelijksaanzoek.

De verteller maakt van Jacomien een onafhankelijke en verlichte geest, zodat hun relatie veel weg krijgt van een mediterrane vakantieliefde. Deze romance wordt afgezet tegen het kille klimaat in Schiedam, waar de kerk streng is en de poëzie belerend. Thuis hangen er wandtegeltjes met suffe dichtregels van Jacob Cats, waarin de vrouw haar plaats moest kennenn. De verteller had er echter ook voor kunnen kiezen om het interieur te sieren met gedichten van tijdgenoot Vondel, die weliswaar rolbevestigend, maar toch ook speels, ‘met verrukking en tederheid’  (zo het huwelijksformulier in het dienstboek) over de eros  schreef. Zie bijvoorbeeld zijn beschrijving van de aardse liefde in het paradijs.https://eenwonderlijkbestaan.blog/2019/05/18/een-wonderlijk-bestaen/

Vondel stelt zich levendig voor hoe de raadspensionaris Johan de Wit door zijn vrouw  gesteund zal worden in zijn politieke werk.

Wanneer myn wachter zit beschanst in zijn papieren

Of worstelt in den Raet, en nacht en dag van stieren (besturen, FdR)

Vermoeit wort, kan een vrouw door vriendelyk onthael

Verquicken ’s mans gemoet…

Deze regels komen uit een gelegenheidsgedicht. Simone van der Vlugt verwijst er naar in haar boek, aangezien Johan de Witt trouwde met een dochter uit het geslacht Bicker, Wendela. Nogal eens werd Vondel door regentenfamilies gevraagd een vers te maken  om een bruiloft op te luisteren. Dat werd dan, neem ik aan, voorgedragen tijdens het feest ter vermaak van de aanwezigen. Vondel blijft toch vooral een toneeldichter, dus geeft hij in zijn gedicht voor Johan de Witt en Wendela Bicker ook wat regieaanwijzingen, waarbij hij kennelijk op de performatieve kracht van zijn taal vertrouwde om de bruid te laten blozen.

Zij zal hem afgeslaeft des middernachts verpoozen,

Daar ghy de ledekant bestroit met geur van roozen,

Die op haar kaeken reede ontluicken van de schaemt,

En ’t schaemroot, eene verf die zulck een Bruidt beteamt.