Regieaanwijzingen voor de liefde

Gerard van Honthorst, portret van stadhouder Willem II en Maria Stuart (1647)

De Gouden Eeuw mag dan als term in ongenade gevallen zijn, in de boekhandel lijkt dit tijdvak populairder ooit. Over deze periode verschijnt de ene naar de andere historische roman. Al eerder noemde  ik in een blog  de  ‘De Advocaat’ van Nicolaas Matsier, over het proces tegen Johan van Oldenbarnevelt, dat  Vondel bracht tot het schrijven van Palamedes, zijn creatieve doorbraak. Jean-Marc vanTol publiceerde Musch (2018), dat speelt in 1650, het jaar dat stadhouder Willem II zijn aanslag op Amsterdam pleegde, aan de hand van correspondentie van Johan de Witt en anderen.

Van Simone van der Vlugt las ik  ‘wij zijn de Bickers’ (2019), over een Amsterdamse regentenfamilie. Ook dit jaar verscheen van Lydia Rood het eveneens op archiefonderzoek gebaseerde boek ‘Turkenliefje’ over de Schiedamse vrouw Jacomijn Stout, die als jong meisje met haar ouders en broertje naar Suriname emigreert, maar het schip wordt gekaapt door piraten en ze worden op de slavenmarkt van Algiers verkocht. Ze raakt verliefd op de onderkapitein Mohamed, maar dan wordt het gezin vrijgekocht door de remonstrantse diakonie en keert het gezin terug naar Schiedam. Jaren later ontvangt Jacomien een brief van haar geliefde met een hernieuwd huwelijksaanzoek.

De verteller maakt van Jacomien een onafhankelijke en verlichte geest, zodat hun relatie veel weg krijgt van een mediterrane vakantieliefde. Deze romance wordt afgezet tegen het kille klimaat in Schiedam, waar de kerk streng is en de poëzie belerend. Thuis hangen er wandtegeltjes met suffe dichtregels van Jacob Cats, waarin de vrouw haar plaats moest kennenn. De verteller had er echter ook voor kunnen kiezen om het interieur te sieren met gedichten van tijdgenoot Vondel, die weliswaar rolbevestigend, maar toch ook speels, ‘met verrukking en tederheid’  (zo het huwelijksformulier in het dienstboek) over de eros  schreef. Zie bijvoorbeeld zijn beschrijving van de aardse liefde in het paradijs.https://eenwonderlijkbestaan.blog/2019/05/18/een-wonderlijk-bestaen/

Vondel stelt zich levendig voor hoe de raadspensionaris Johan de Wit door zijn vrouw  gesteund zal worden in zijn politieke werk.

Wanneer myn wachter zit beschanst in zijn papieren

Of worstelt in den Raet, en nacht en dag van stieren (besturen, FdR)

Vermoeit wort, kan een vrouw door vriendelyk onthael

Verquicken ’s mans gemoet…

Deze regels komen uit een gelegenheidsgedicht. Simone van der Vlugt verwijst er naar in haar boek, aangezien Johan de Witt trouwde met een dochter uit het geslacht Bicker, Wendela. Nogal eens werd Vondel door regentenfamilies gevraagd een vers te maken  om een bruiloft op te luisteren. Dat werd dan, neem ik aan, voorgedragen tijdens het feest ter vermaak van de aanwezigen. Vondel blijft toch vooral een toneeldichter, dus geeft hij in zijn gedicht voor Johan de Witt en Wendela Bicker ook wat regieaanwijzingen, waarbij hij kennelijk op de performatieve kracht van zijn taal vertrouwde om de bruid te laten blozen.

Zij zal hem afgeslaeft des middernachts verpoozen,

Daar ghy de ledekant bestroit met geur van roozen,

Die op haar kaeken reede ontluicken van de schaemt,

En ’t schaemroot, eene verf die zulck een Bruidt beteamt.

Adam in Ballingschap (vervolg)

Lucas Cranach de oudere, Adam en Eva, Kunsthistorisches Museum Wenen

Wanneer het mensenpaar geproefd heeft van de verboden vrucht, schamen ze zich voor hun ‘snoeplust’, het speelse woord dat Vondel voor de oerzonde gebruikt. Ze ontdekken ze dat ze naakt zijn en verstoppen zich. Lucifer verheugt zich over hun ongeluk, Adam en Eva hebben een stevige echtelijke ruzie. Een dialoog die Vondel met humor brengt, omdat de liefde en zorg die de echtgenoten voor elkaar koesteren er in doorklinkt.

Want ‘t lust me zonder uw genootschap niet te leven.

‘k ontken geenszins dat ik dit misdrijf heb gesteven.

Mijn snoeplust u vervoerde in deze droeven staat.

Zo laat ons t’samen dan de schuld van zulk een kwaad

Ook boeten, woud ge door de doodschuld mij behagen?

‘ k zal haar verdiende straf gewillig leren dragen. (1578-1583)

Dan verschijnt God op het toneel. Niet een deus ex machina die het plot opheft, maar een personage die het drama verhevigt door te vragen ‘ mens waar ben je?.’ Vondel heeft dit ingezien en noemt het scenario van de zondeval het ‘ treurspel der treurspelen’.

In Genesis 3 staat dat zij de stem van de Heere God hoorden, wandelende on den hof, aan den wind des daags.’ (Statenvertaling). In nieuwe vertalingen is sprake van ‘de koelte van de avondwind’, maar Vondel interpreteert het als een flinke storm:

Wat hoor ik daar? Een storm begint hier op te steken.

De donk’re en zwang’re lucht onstuimig uit te breken.

De bladers ruisen uit 4 hoeken heen en weer.

De bulderende wind smijt bos en bomen neer.

Hoe breng je in beeld dat God verschijnt? De Bijbel gebruikt antropomorfe taal, maar zo naïef als Lucas Cranach de zondeval schilderde (zie foto onder) zag Vondel het niet voor zich. Een moderne bewerking zou zich vermoedelijk bedienen van een voice over. Vondel gebruikt een andere truc. Hij laat een van de engelen, Uriël genaamd, de boodschap namens God overbrengen:

Wie openbaarde u toch dees naaktheid, al te naakt?

Heeft ook uw mond de vrucht der kennisse gesmaakt?

Beken de misdaad vrij, ontzie ze niet te noemen.

Verschoon uw schuld niet: want hier baat nu geen verbloemen.

Lucas Cranach de oudere, het Paradijs, Kunsthistorisches Museum Wenen

Adam in Ballingschap

Jan Breugel de Oude en Peter Paul Rubens, Adam en Eva in het paradijs, Mauritshuis.nl

“De voorstelling is een humoristisch en rauw theaterstuk waar mogelijk soms aanstootgevende tekst en ruw taalgebruik in zit.” Ik ben gewaarschuwd als ik tijdens het Zeeland Nazomerfestival de voorstelling ‘Wie is Bang’ bezoek, geschreven door de Vlaamse schrijver Tom Lanoye, uitgevoerd door de NT Gent. Voor een gemeenteraadslid van de SGP in Middelburg is het taalgebruik reden om tegen de uitvoering te protesteren, aldus een artikel in het Reformatorisch Dagblad.https://www.rd.nl/vandaag/binnenland/toneelstuk-met-vloeken-kwetst-zeeuw-1.1590156

Ik ben een liefhebber van de teksten van Tom Lanoye, hij is een meester van de polemiek, de tirades van de grofgebekte personages zijn creatief en vermakelijk. Tegen vloeken kan ik niet goed, maar niet iedere vloek is ijdel gebruik van Gods Naam. Een predikant heeft wel eens beargumenteerd dat er zoiets is als functioneel vloeken, al zal het SGP-raadslid er bij blijven dat een vloek ieder doel mist. Dat de voorstelling beledigend voor christenen zou zijn zoals in het RD-artikel wordt gesuggereerd, is echter niet aan de orde.

Hoort Adam nu vast vloeken, zingen de engelen, als de mens in Vondels toneelstuk ‘Adam in Ballingschap’ van de verboden vrucht heeft geplukt. Verder geen onvertogen woord in de tekst van Vondel, toch waren er 17e eeuwse staatkundig gereformeerden die aanstoot namen aan zijn toneelstukken. Voor hen zal het wat al te fantasierijk geweest zijn dat Vondel engelen aanwezig laat zijn tijdens de bruiloft van Adam en Eva in het paradijs en dat ze bovendien samen met mensenpaar een echte huwelijksdans inzetten.

Gunt uw gasten dat ze om strijd,

God en u ter ere, trippelen,

En rondom u hene hippelen.

Laat ons dus de bruiloftstijd

Vieren, want de feestgenoden

Voegt geen stilte, op ’t hoge feest,

Maar een dans , van God geboden. (861-867)

Galant is trouwens hoe Vondel in dit stuk over Adam en Eva in het paradijs de kwestie van het functionele naakt oplost. Blote acteurs zal Vondel niet overwogen hebben, maar juist in zijn toneelbewerkingen van Bijbelverhalen wilde hij realistisch zijn. Hij kleedt het mensenpaar in kleren van witte zijde, het kleed der gerechtigheid, maar wel zo dat door de zijde heen: De schoonheid van het lijf, uitschijnen kan en gloeien (109): Zo blijft hij trouw aan de Bijbeltekst waar staat dat zij beide naakt waren (Genesis 2.25) en weet hij met behoud van de goede zeden de zinnen te prikkelen.

Maria?

Voor de liturgie van de Rooms-Katholieke kerk heb ik grote achting. De toewijding waarmee daar de eucharistie wordt beleefd bezie ik als protestant met enige jaloezie. Ik kan het ook slecht hebben wanneer er geringschattend wordt gesproken over het rooms-kahtolicisme. Mijn oecumenische intenties hebben het echter moeilijk met de rol van Maria. Ook al is de katholieke leer helder dat zij geen goddelijke status heeft en dus niet aanbeden wordt. Ook al verdedigt de protestantse hoogleraar Bram van de Beek de voorspraak en bemiddeling van Maria omdat wij medegelovigen mogen vragen om voor ons te bidden, of ze nu in de hemel zijn of op de aarde. Voor de Mariavroomheid ben ik nog niet gewonnen, al doet Vondel nog zo zijn best: ’t Orakel, naar wiens stem het al moet horen/ dronk met die melk der kuise moeder in/ haar liefde die geworteld in zijn zin/ zijn hart nog raakt in ’t hoogste koor der koren. (uit ‘opdracht aan de Heilige Maagd’)

This image has an empty alt attribute; its file name is img_20190723_124017760952231340.jpg

In Limburg maak ik de vespers mee in een Benedictijnerklooster waarin traditiegetrouw de lofzang van Maria wordt gezongen (het Magnificat) en in een protestantse eredienst een paar kilometer verderop wordt een Marialied aangeheven, ik zing mee, nog niet geheel overtuigd, maar toch…

Niet alle afbeelding van Maria kunnen mij bekoren, maar ik raak onder de indruk van een Piëta in een aan ‘Onze-Lieve-Vrouwe’ gewijd kloosterkerkje in de Elzas. Niet ver daarvandaan, in Sarrebourg bezoek ik de voormalige Franciscaner kerk waarvoor de Marc Chagall een groot glas-in-loodraam ontwierp, getiteld la Paix (de Vrede). Centraal staat een veelkleurige boom des levens met daarin Adam en Eva als geliefden afgebeeld (zie bovenste foto). Daarom heen verschillende taferelen uit het Oude en Nieuwe Testament. Schitterend!

Helemaal onderaan het raam, bijna wegvallend in de blauwe achtergrond, zien we een vrouw met kind, wat ons meteen doet denken aan Maria met Jezus. Geen hemelkoningin, maar een Maria die zich dicht bij de wortels van de levensboom bevindt. Dat spreekt me aan. Hoe zei Vondel dat ook al weer? ‘Haar liefde die geworteld in zijn zijn zin, zijn (en mijn, FdR) hart nog raakt…’

This image has an empty alt attribute; its file name is img_20190805_201552736-139098598.jpg

God in Frankrijk

Wie op vakantie gaat in de Elzas, minder ver, deze zomer helaas niet veel minder warm dan de Côte d’Azur, merkt dat godsdienst hier zichtbaarder aanwezig is dan in de rest van Frankrijk. Dat heeft met pluriformiteit te maken, in veel plaatsen zie je zowel een protestantse als een katholieke kerk. Voor welk gebouw de vele ooievaars een voorkeur hebben vraagt om nader onderzoek.

Het heeft ook met wetgeving te maken. Dat komt omdat de Elzas nog Duits grondgebied was toen in de rest van Frankrijk de zogeheten Laicité werd ingevoerd. In de regionale krant vind je dan ook een kerkelijke opiniepagina en de dominee die op zondag een mooie dienst verzorgde, zie je op maandag in een ‘Jesus Marche’ door het stadje fietsen.

Het Jodendom heeft eveneens een lange geschiedenis in de Elzas. Veel plaatsen hebben een synagoge, helaas vaak niet meer in gebruik, de Joodse gemeenschap bevindt zich vooral in Straatsburg. De oorspronkelijke synagoge daar is echter in de oorlog door de Nazi’s verwoest. Onverdraaglijk dat er in Frankrijk recent opnieuw burgers zijn vermoord vanwege hun Jood zijn.

In het stadje Marmoutier bevindt zich behalve een monumentale abdijkerk ook een historisch museum dat gevestigd is in het huis waar voorheen de rabbijn van de joodse gemeenschap woonde. Om Soekot ( loofhutten) te kunnen vieren was er een balkon ingericht met een verstelbare overkapping. In het museum tref je een collectie met voorwerpen uit de synagoge en tekeningen van de 19e eeuwse kunstenaar Alphonse Levi, die het Joodse leven met humor en liefde portretteerde. Alleen zijn karikaturen zouden we nu niet meer onschuldig vinden.

Indrukwekkend is tenslotte de Mikwe, het rituele bad dat bewaard is gebleven. Het laat zien dat de christelijke doop van oorsprong een afdalen is geweest.

De Val

Landschap met de val van Icarus- naar Pieter Breughel de oudere (ca. 1590), wikipedia.org

Is’t Noodlot dat ik val, van eer en staat beroofd:

Laat vallen, als ik val, met deze kroon op ’t hoofd.

( )

Dat vallen strekt tot eer, en onverwelkbare lof

En liever de eerste vorst in enig lager hof

Dan in ’t zalig licht de tweede of nog minder

Zo troost ik mij de kans en vrees nu leed noch hinder.

(Lucifer 438-439, 442-445, hertaling FdR)

‘Laisse tomber’  zeggen de Fransen om duidelijk te maken dat ze ergens niet mee zitten.  Laat vallen, zegt de aartsengel Lucifer over zichzelf in het toneelstuk van Vondel. Hij komt in opstand tegen God, eigenlijk tegen de mens die door de Schepper boven de engelen wordt geplaatst en hij weet dat hij daardoor in ongenade zal vallen. ‘ Dat vallen strekt tot eer’ , zegt hij vooruitlopend op zijn tragiek, in Vondels  ironie klinkt echter mee dat zelfs deze val van Lucifer en zijn trawanten tot eer van God zal zijn.

Zondag lezen we in de kerk hoe Jezus de 72 leerlingen ontvangt die verheugd terugkeren omdat ze zelfs de demonen zich aan hen onderwerpen. (Grappig, in het toneelstuk Lucifer is dat precies wat de opstandige engelen vrezen, dat ze ondergeschikt worden gemaakt aans stervelingen.) Jezus spreekt dan van een visioen dat hij gehad heeft. ”Ik heb Satan als een lichtflits uit de hemel zien vallen.” (Lucas 10:18)

De val van Lucifer en de zijnen is bij Vondel een prequel,  speelt zich af voordat Adam en Eva in het paradijs van de verboden vrucht eten. Voor Jezus gebeurt dat in het heden, als demonische machten het onderspit delven. In de laatste regels van het toneelstuk preludeert Vondel op de komst van de messias:

Wij tellen d’eeuwen, en het jaar, ja dag en uur

dat uw gena verschijnt, de kwijnende natuur

herstelt, verheerlijkt in lichamen en zielen,

stofferende de troon, waar de engelen uit vielen.

(Lucifer 2180-2183, hertaling FdR)

God zoekt de mens

bron: http://www.grotekerknaarden.nl

In het gesprek dat hij in de Paasnacht met Nicodemus heeft, vergelijkt Christus zichzelf (of eigenlijk ‘de Mensenzoon’) met de koperen slang die in het boek Numeri door Mozes op een staak gezet werd. Wanneer de Israëlieten die door giftige slangen werden gebeten daarna keken bleven ze in leven: “De Mensenzoon moet hoog verheven worden, zoals Mozes in de woestijn de slang omhoog geheven heeft, opdat ieder die gelooft in hem eeuwig leven heeft. ” (Johannes 3:14-15). De kerk leest deze tekst op Zondag Trinitatis, een week na Pinksteren.

Vondel heeft deze typologie gebruikt in ‘Altaergeheimenissen’, zijn uitgebreide leerdicht, of is het een loflied, op de eucharistie.

En aen te zien dien lijder, dootsch en bang;

Die, voor elcx oogh gehange, kopre Slang,

Genezende d’aenbidders, onder ’t eten,

Van ‘t moortvergift der helsche slangenbeten; (II 541-544)

In de grote Kerk in Naarden is deze typologie verbeeld door tegenover de schildering van de koperen slang een schildering van de kruisiging te plaatsen (zie de afbeelding boven). Rondom het kruis zweven engelen die het bloed en het water opvangen die uit de wond in de zijde van Christus stromen, beeld van de sacramenten doop en avondmaal waar de kerk van leeft. Jezus zegt immers: ‘niemand kan het koninkrijk van God binnengaan,tenzij hij geboren wordt uit water en geest. ‘ Vondel vindt hier een onuitputtelijke bron van verwondering. Waar geen mens van nature bij kan, gebeurt omwille van de mens.

’t Gevleeschte Woort verandert dus zijn lijf,

Om ’s menschen wil: de mensch blijft even stijf

Verandert nog zijn schubben, noch zijn zinnen

Godt zoeckt den mensch, geen mensch zoeckt Godt te winnen.

(Altaergeheimenissen I 1431-1434)

Pinxterzang De wind in de zeilen

bron: http://www.grotekerknaarden.nl

De schilderingen op de gewelven in de grote kerk van Naarden vormen steeds een tweeluik, bij ieder heilsfeit hoort een nieuwtestamentische en een oudtestamentische voorstelling. Bij Pinksteren staat naast het verhaal van de uitstorting van de Heilige Geest volgens Handelingen 2, de verbondsluiting op de Sinaï, de gave van de Thora, bezegeld met de overhandiging van de 10 geboden aan Mozes. Dit is inderdaad wat de synagoge met Pinksteren viert. In ben benieuwd in hoeverre dit bekend was toen deze schilderingen in 1518 werden gemaakt.

In de 2 Pinksterliederen die Vondel 100 jaar later schreef voor het liedboek van zijn doopsgezinde gemeente, komt deze oudtestamentische betekenis van Pinksteren niet voor. Wel spreekt hij van de wet die Christus in de harten van de gelovigen schrijft, in overeenstemming met de doperse traditie. En Christi wet die eeuwich blijft/ In ons ghemoet en sinnen schrijft.

De eerste Pinxterzang van Vondel is een verhalend gedicht naar Handelingen 2, het tweede een gebed tot de Heilige Geest, gemakkelijk mee te zingen op de wijs van Psalm 100. In dit lied verwerkt hij verschillende metaforen en namen voor de Heilige Geest die hij ontleent aan de christelijke traditie: Tortel-duyf, Vertrooster, vinger Gods, hemeldauw, Fontein, Goddelijk vuur. In het laatste couplet wordt de Geest ‘Wind des Heeren’, genoemd. Dat is een beeldspraak die uit de Bijbel komt, het Hebreeuwse ‘ruach’ betekent ‘wind, adem, geest’, maar die ik dan weer niet tegen kom in de oudchristelijke hymnen. Heeft Vondel dit ergens vandaan of is dit beeld ingegeven door de opkomst van de zeevaart in zijn Amsterdam?

Ghy Wint des Heeren weest doch mee

Ons zielen schip in swerelts Zee

Op dat wy vry van schipbreuk dan

Landen in ’t hemels Canaan.

Hemelvaertzang

 Een mooie verbeelding van Hemelvaart vind ik in de Naardense Bijbelvertaling. Daarin staan de schilderingen die in 1518 op de gewelven van de grote kerk in Naarden zijn aangebracht en 1 daarvan toont Jezus die in de hemel wordt opgenomen. Omdat Christus uit beeld verdwijnt, zien we van hem alleen de voeten. Op de aarde die hij verlaat blijven zijn voetafdrukken achter, voetstappen voor zijn volgelingen om in te treden.  Ze begrepen nu immers de Schriften. Zien we daarom rechtsboven een Thorarol geschilderd? Ik durf dat niet met zekerheid te zeggen, maar het zou heel mooi zijn.

Vondels Hemelvaertzang is van een eeuw later. 6 oupletten te zingen op de wijs van psalm 8, opgenomen in het Boek der Gesangen van de doopsgezinde gemeente waar Vondel toen lid van was. In deze zang is de blik omhoog gericht, evenals bij de apostelen op de schildering. Het loflied begint alsvolgt:

Verblijdt u t’saem en juycht ghy Christen schaeren

Siet hemelwaert u Vorst end’ Heylant varen,

Die onlangs daeld’ in ’t graf na soo veel smaets,

En heerlijck nu gaet nemen d’hoochste plaets.

Opvallend aards is dan weer de huwelijksmetafoor in het laatste couplet, waar Vondel met een verwijzing naar Hooglied dicht over de kerk van Christus die op aarde achter blijft:

Soo mach sy steeds in ’s Bruydgoms liefde blaken,

Soo mach haer kroon noch sond, noch werelt schaken,

Soo blijft haer liefd’ veel stercker als de doot

En erft te loon haers lieven minnaers schoot.

Een wonderlijk bestaen

Rubens, St. Michael verdrijft Lucifer uit het paradijs, wikipedia.org

In zijn voorwoord op zijn treurspel ‘Lucifer’ geeft Vondel toe dat hij voor het dramatische effect gebruik maakt van een theologische opvatting die door sommige, maar niet door alle godgeleerden gedeeld wordt. Hij laat de engelen namelijk voorkennis van de incarnatie (menswording van God in Christus) hebben. Als Gabriël dit aan de opstandige engelen meedeelt, is hun rebellie niet meer te stoppen. In zijn ‘disclaimer’ zegt Vondel voor de zekerheid dat dit gebruik niet betekent dat hij positie kiest in deze discussie. Hij vermoedde zomaar dat dit wel eens gevoelig zou kunnen liggen.

Vondel betoogt ter verdediging van zijn toneelstuk over  de val van een deel van de engelen, dat dit in de  Heilige Schrift wordt beschreven. Omdat deze Bijbelteksten heel summier zijn, ziet Vondel ruimte om zelf motieven en redenen aan te voeren voor hun afvalligheid. Hij noemt hoogmoed en jaloezie als 2 kanten van dezelfde zaak. Lucifer  en zijn medestanders zijn jaloers op de mens die naar Gods beeld geschapen is.  Deze gedachte komt hij tegen bij de kerkvader Cyprianus. Vondel gaat nog verder en laat de engel Apollion die in het paradijs het pasgeschapen mensenpaar heeft geobserveerd afgunstig zijn op hun lichamelijkheid en intimiteit.

Dan kuste hy zyn bruit, en zy den bruidegom

Dan ging de bruiloft in, met eenen wellekom

En brant van liefde, niet te melden, maer te gissen,

Een hooger zaligheit, die d’Engelen noch missen. (135-138)

Helaes! Wy zyn misdeelt; wy weten van geen trouwen,

Van gade of gading, in een hemel, zonder vrouwen. (141-142)

Het idee dat de engelen ondergeschikt zijn aan de mens komen we ook in het Jodendom tegen: Israël is meer geliefd bij God dan de engelen (Babylonische Talmoed Choelien).

Vondel maakt van zijn engelen personages met een eigen psychologie, die met de blik van de buitenstaander het mens-zijn becommentariëren:

Den mensch, in top van Staet en maght, zoo trots verheven,

Dat wy, als slaven, voor zyn heerschappye beven (Lucifer790-91)

Hoe wy, door ’t nieuw bevel, van onze staet vervielen

In eene slaverny der aerde, en zoo veel zielen

Als uit een luttel bloets en zaets te spruiten staen.

Wat is by ons alree mishandel, of misdaen,

Dat Godt een waterbel, vol wint en lucht geblazen

Verheft om d’Engelen, zyn zonen,te verbazen?

Een basterdy verheft, gevormt uit klay, en stof?

Wy waren pas gewyt tot pylers van zyn hof. (842-848)

De gereformeerde predikanten in Amsterdam hebben pogingen gedaan om dit toneelstuk van Vondel te verbieden. Dat God al voor en los van de val van engelen en mensen besloten had om zich te verenigen met de mens, werd door de calvinistische theologen namelijk algemeen afgewezen. Zo lees ik in een artikel van Nico den Bok. (In ‘Wat God bewoog om mens te worden’, gedachten over de incarnatie, 2003)

 In een levendige dialoog tussen de aanhangers van Lucifer en een rei (koor) van trouw gebleven engelen drijft Vondel de discussie op de spits.

Luciferisten: Men had ons nutter dees geheimenis gezwegen.

Rey: De Godtheit openbaert haer hart, tot u genegen.

Luciferisten: Noch milder tot den mensch: zy zet hem boven aen:

Rey: Verknocht met Godts natuur: een wonderlijk bestaen. (890-993)

Eerder schreef ik dat dit een gedachte is die pas veel later in de theologie is uitgewerkt, maar Den Bok laat zien dat Duns Scotus, een middeleeuwse denker hier al heel scherp over heeft nagedacht. Dat het van den beginne Gods plan is geweest om mens te worden, zonde of geen zonde. Menswording is het doel van de schepping. Dat is een theologie waar ik vrolijk van word en waar Vondel God alle eer voor geeft.

Luciferisten: Hoe wil de mensch de kroon der Engelen verdooven!

Rey: Alle engelen zullen Godt in ’t lichaem zien, en loven.

Luciferisten: Zy zullen slyck en stof aenbidden in het stof?

Rey: Bewieroocken Godts naem, met geur, en prys, en lof. (988-91)